![]() |
© Nederlands Jeugdinstituut Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht Postbus 19221 • 3501 DE • Utrecht t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12 e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl |
Partnergeweld komt vaker voor in gezinnen met kinderen en vaak zijn de kinderen getuige van het geweld. Sinds 2000 is huiselijk geweld een beleidsthema van de overheid. Zo bestaat sinds 2009 de Wet Tijdelijk Huisverbod. Op 1 juli 2013 treedt de Wet Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling in werking. Wat zijn de gevolgen van partnergeweld en huiselijk geweld voor het kind? Wat kan eraan gedaan worden en hoe kunnen de kinderen hulp krijgen?
Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over partnergeweld en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.
Huwelijksdwang voorkomen met online cursus
11 juni 2013
Beroepskrachten in de jeugd- en gezondheidszorg kunnen zich gratis bijscholen over huwelijksdwang met een nieuwe e-module Huwelijksdwang via een speciale website. De online cursus is gemaakt door expertise- en behandelcentrum Fier Fryslân en online academie The Next Page, in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken.
SEH-protocol kindermishandeling landelijk ingevoerd
5 juni 2013
Het Haagse protocol voor het signaleren van kindermishandeling op ziekenhuisafdelingen voor spoedeisende hulp (SEH) wordt na de zomer landelijk verspreid. Het ouderprotocol is ontwikkeld door het Medisch Centrum Haaglanden en het AMK Haaglanden.
Steunpunt huiselijk geweld krijgt handelingsprotocol
4 juni 2013
De Steunpunten Huiselijk Geweld (SHG's) zijn vanaf 1 juli bevoegd om meldingen van huiselijk geweld te ontvangen. Om burgers en beroepskrachten duidelijk te maken hoe SHG's omgaan met de meldingen is een nieuw handelingsprotocol ontwikkeld door de Federatie Opvang, de MOgroep en GGD Nederland.
Regioaanpak Veilig Thuis brengt handreiking uit
23 april 2013
Het programma RegioAanpak Veilig Thuis heeft op zijn nieuwe website een handreiking gepubliceerd voor gemeenteambtenaren en wethouders om afspraken te maken in de regio over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling.
Instanties moeten eerder ingrijpen bij problemen kind
11 april 2013
Docenten, artsen, hulpinstanties en gemeenten moeten hun schroom kwijtraken en ingrijpen als ze signalen van kindermishandeling zien. Dat schrijft het Samenwerkend Toezicht Jeugd (STJ) in een analyse van acht calamiteiten in 2011 en 2012.
Website voor omgang kindermishandeling in onderwijs
9 april 2013
The Next Page, een sociale onderneming die gespecialiseerd is in online scholing over kindermishandeling en huiselijk geweld, heeft een website ontwikkeld over onderwijs en kindermishandeling. De site richt zich op leerkrachten, intern begeleiders en schoolleiders in het basisonderwijs.
Jonge Marokkaanse geweldpleger vaker thuis mishandeld
21 maart 2013
Jonge Marokkaans-Nederlandse geweldplegers zijn als kind vaker door hun ouders mishandeld dan jonge Nederlandse geweldplegers. Dat blijkt uit onderzoek van psychologen aan de Universiteit van Tilburg, dat binnenkort wordt gepubliceerd in het European Journal of Criminology.
Wet meldcode kindermishandeling gaat 1 juli 2013 in
15 maart 2013
De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel voor een verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling op 12 maart 2013 als hamerstuk afgedaan. De wet treedt 1 juli 2013 in werking.
Dader kindermishandeling uit huis in Rotterdam
14 maart 2013
Niet het slachtoffer, maar de dader van kindermishandeling moet uit huis worden geplaatst. Na een geslaagde proef zet de gemeente Rotterdam dat instrument nu definitief in, aldus wethouder Hugo de Jonge.
Proef met centrale hulp bij huiselijk geweld
12 februari 2013
Tilburg en Venlo starten een proef met een Family Justice Center, een gebouw waarin alle organisaties zijn gehuisvest die betrokken zijn bij de aanpak van huiselijk geweld. Kenniscentrum MOVISIE heeft op 7 februari de aftrap verricht.
'Partnergeweld' is in Nederland een relatief nieuw begrip. Tot 2002 werd gesproken over 'vrouwenmishandeling'. Het gaat om geweld tussen partners en ex-partners, waarvan kinderen soms getuige zijn. Meestal is het geweld gericht tegen de vrouwelijke partner.
Onder partnergeweld verstaan we de gedragingen, handelingen en houdingen van één van de partners of ex-partners die erop gericht zijn de ander te controleren en te domineren. Het omvat fysieke, psychische, seksuele en economische agressie, bedreigingen of geweldplegingen die zich herhalen of kunnen herhalen en die de integriteit van de ander aantasten. Dit geweld treft niet alleen het slachtoffer, maar ook de andere familieleden, waaronder de kinderen.
Termen die ook gebruikt worden zijn 'relationeel geweld', 'geweld tussen partners' en 'partnermishandeling'. Partnergeweld is een specifieke vorm van huiselijk geweld. (Nationaal Actieplan Partnergeweld België, 2005)
Bij partnergeweld gaat het om geweld tussen partners of ex-partners. Vaak is er sprake van machtsongelijkheid, waarbij de pleger overwicht heeft over het slachtoffer. Er ontstaat vaak een patroon van geweld. Er kan een situatie ontstaan, waarin één van de partners ernstige vormen van geweld, dwang en controle uitoefent over de ander. Ook kunnen in een relatie conflicten uit de hand lopen en beide partners geweld gebruiken. Als er kinderen zijn, raakt het geweld direct of indirect ook hen.
Partnergeweld: een vorm van huiselijk geweld
Partnergeweld is een vorm van huiselijk geweld, net als kindermishandeling, oudermishandeling en ouderenmishandeling. De officiële definitie van huiselijk geweld luidt: 'geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer gepleegd is.' Het gaat om alle vormen van herhaaldelijk lichamelijk, psychisch en seksueel geweld en verwaarlozing, die plaatsvinden in de privésfeer en waarbij betrokkenen in een familiale verhouding staan of hebben gestaan (Ferwerda, 2007). Geweld betekent in dit verband: de aantasting van de persoonlijke integriteit. Het kan gaan om geestelijk, lichamelijk en seksueel geweld. Tot de huiselijke kring van slachtoffers behoren (ex-)partners, gezinsleden, familieleden en huisvrienden. Bij huiselijk geweld gaat het dus niet om de plek waar het geweld plaatsvindt, maar om de onderlinge relatie tussen slachtoffer en pleger.
Kinderen als getuige van partnergeweld
De kinderen van ouders die te maken hebben met partnergeweld noemen we 'kinderen die getuige zijn van partnergeweld'. Met getuige zijn van geweld bedoelen we 'alle manieren waarop kinderen kunnen merken dat er sprake is van geweld tussen hun ouders.' Kinderen kunnen het geweld bijvoorbeeld zien of horen, de dreiging voelen als er sprake is van herhaald geweld en de gevolgen op korte en lange termijn meemaken, zoals letsel bij hun moeder of een vlucht naar een veilige plek.
Vormen van partnergeweld
Voor 2002 werd in plaats van 'partnergeweld' de term 'vrouwenmishandeling' gebruikt. De term 'partnergeweld' is hiervoor in de plaats gekomen, omdat ook mannen slachtoffer kunnen zijn van geweld door hun partner. Specifieke vormen van partnergeweld zijn geweld tussen ex-partners, verkeringsgeweld, stalking en eergerelateerd geweld.
Het slachtoffer en de pleger van partnergeweld kunnen ex-partners van elkaar zijn. Het geweld kan begonnen zijn tijdens de relatie en doorgaan nadat de relatie is verbroken of begonnen zijn na het verbreken van de relatie.
Het partnergeweld kan beginnen als het slachtoffer en de pleger nog tieners zijn en verkering hebben met elkaar, in dit geval spreken we over verkeringsgeweld.
Als stalking of eergerelateerd geweld tussen (ex-)partners plaatsvindt, zijn dat specifieke vormen van partnergeweld. Bij stalking, of belaging, blijft de ene partner de andere partner na het verbreken van de relatie lastig vallen en mishandelen. Bij eergerelateerd geweld wordt het geweld gepleegd in een reactie op een (mogelijke) dreiging dat de eer van de partner(s) en de familie wordt aangetast.
9 procent van de volwassenen zegt de afgelopen vijf jaar slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld. In het grootste deel van de gevallen gaat het om partnergeweld: in ruim een derde van de voorvallen (34 procent) noemt het slachtoffer de levenspartner als dader, 46 procent noemt een ex-partner. In 65 procent van de gevallen van huiselijk geweld gaat het om lichamelijk geweld en in 8 procent om seksueel geweld. Meer vrouwen dan mannen zijn slachtoffer (60 tegenover 40 procent) (Van Dijk e.a., 2010).
kinderen in een gezin met huiselijk geweld
Er wonen naar schatting 60.000 kinderen in een gezin waar sprake is van huiselijk geweld. Hiervan zijn 25.000 kinderen ook daadwerkelijk aanwezig bij incidenten van huiselijk geweld (Nieuwenhuis, 2008). Het gaat hierbij om een brede definitie van huiselijk geweld, die meer omvat dan partnergeweld. De schatting is gebaseerd op een steekproef van duizend politieregistraties van incidenten van huiselijk geweld in 2006. Waarschijnlijk is er sprake van een onderschatting, omdat niet alle huiselijk geweld bij de politie bekend is.
Weinig verschil tussen autochtonen en allochtonen
Autochtonen en allochtonen zijn ongeveer net zo vaak slachtoffer van huiselijk geweld. Dit blijkt uit recent onderzoek onder personen van Nederlandse, Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst (Van Dijk e.a. 2010; Van Dijk e.a. 2002).
Trends onduidelijk
De afgelopen jaren zijn de politiecijfers over huiselijk geweld gestegen (Ferwerda 2009). Daaruit valt echter niet direct op te maken dat er daadwerkelijk meer geweld gepleegd wordt. Bij de gestegen politiecijfers kan ook de toegenomen aandacht voor huiselijk geweld een rol spelen. Onderzoek onder slachtoffers van huiselijk geweld leveren ook geen bruikbare trendcijfers op. Zowel in 1997 als in 2010 (Van Dijk e.a. 2010; Van Dijk e.a. 1997; Wittebrood en Veldheer 2005) is onderzoek gedaan naar de omvang van huiselijk geweld, maar de onderzoeken zijn niet met elkaar vergeleken en ook niet op precies dezelfde wijze uitgevoerd.
Laatst bewerkt: 5 november 2012
Slachtoffers van huiselijk geweld
Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld
Moord en doodslag in huiselijke kring
Huiselijk geweld onder Surinamers, Antillianen, Marokkanen & Turken
Huiselijk geweld politiecijfers

Uit cijfers van de 'Family database van de OESO' blijkt dat in Nederland, net als in de meeste OESO-landen, partnergeweld niet vaak voorkomt. De OESO is een samenwerkingsverband van dertig voornamelijk westerse landen. Binnen de OESO-landen loopt het percentage van de bevolking dat melding maakt van partnergeweld uiteen van nul procent in Estland tot 2,37 procent in Nieuw-Zeeland. In Nederland maakt 0,8 procent van de gehele bevolking melding van partnergeweld. Het partnergeweldpercentage is gebaseerd op enquêtes die rond 2005 zijn gehouden en gaat over mannen en vrouwen en die te maken hebben gehad met misdrijven, waaronder partnergeweld door de partner of ex-partner.
Uit gegevens van de OESO komt naar voren dat deze cijfers voorzichtig geïnterpreteerd moeten worden, ondermeer omdat in enquêtes over misdrijven de mate van partnergeweld onderschat wordt.
Binnen de 27 landen van de Europese landen loopt het aantal 'bijkomende dodelijke slachtoffers' van partnergeweld in 2006 uiteen van nul in Cyprus, Luxemburg en Malta tot 28 in Duitsland. In Nederland bedroeg dit naar schatting 5 in 2006. Dit is in verhouding tot andere Westerse landen dus laag (Nectoux, 2010).
Deze schattingen gaan over het aantal slachtoffers van zogenaamde 'collateral homocides' in 2006. Het gaat dan om kinderen en gezinsleden die op het moment van het misdrijf ook aanwezig waren en gedood zijn. Deze zogenaamde bijkomende dodelijke slachtoffers gaan over familieleden, vooral kinderen. Deze gegevens zijn afkomstig uit een project waarin schattingen zijn gemaakt van het aantal sterfgevallen als gevolg van partnergeweld in alle landen van de Europese Unie. De schattingen zijn gemaakt met behulp van een model, waarvoor gegevens uit de lidstaten én theoretische gegevens zijn gebruikt.
Bron
Nectoux, M. (red.) (2010), Estimation of Intimate Partner Violence related mortality in Europe - IPV EU_Mortality.
Daphne III Project NoJLS/2007/DAP-1/140 . Synthesis of the scientific report.

Partnergeweld heeft gevolgen voor de kinderen en de opvoeding. Als kinderen getuige zijn van geweld tussen hun ouders, is dat van invloed op hun ontwikkeling, zowel op korte als lange termijn. Mishandelde vrouwen staan vaak voor het dilemma: weggaan of blijven? Dat heeft consequenties voor de kinderen. Na een scheiding kan het geweld tussen ex-partners doorgaan. Als dan een ondersteunend netwerk ontbreekt, belandt de moeder met haar kinderen in een sociaal isolement.
Als een kind getuige is van geweld tussen de ouders, op wat voor manier dan ook, heeft dit grote gevolgen voor een kind. Het tast zijn gevoel van veiligheid aan en heeft gevolgen in elke ontwikkelingsfase, zowel op korte als op lange termijn.
Opgroeien in een gezin waarbij sprake is van geweld tussen de ouders, is een aantasting van de basisvoorwaarden van het bestaan: veiligheid, zelfvertrouwen, contacten met leeftijdgenoten en vertrouwen in anderen, in eerste instantie de eigen ouders (Baartman en Hoefnagels 2009). Kinderen die partnergeweld meemaken, groeien op in een onveilige situatie, zowel fysiek als psychisch. Ze kunnen bij geweldsincidenten zelf gewond raken, bijvoorbeeld doordat ze bij een ouder op schoot zitten, of tussenbeide proberen te komen. Ze kunnen ook getroffen worden door een voorwerp waarmee gegooid wordt. Als er sprake is van herhaaldelijk geweld, leven kinderen in voortdurende angst voor een volgende aanvaring tussen de ouders. Ze groeien bovendien op met fundamentele twijfels en verwarring over de betekenis van liefde, intimiteit en geweld.
Kinderen kunnen op verschillende manieren merken dat er sprake is van geweld tussen hun ouders. In een overzicht van Holden (2004) komen tien vormen van 'blootstelling' aan huiselijk geweld aan de orde.
Geweld tussen ouders roept bij kinderen vaak heftige emoties op. Ze ervaren het als verwarrend en pijnlijk als ouders zowel een bron van veiligheid als van angst zijn. De meest voorkomende reacties van kinderen zijn verdriet, angst, boosheid en machteloosheid (Pels, Lünnemann en Steketee 2011). Ongeveer 40 procent van de kinderen die thuis met regelmaat geweld tussen de ouders meemaakte, krijgt daardoor posttraumatische klachten (Graham-Bermann en Edleson 2001). De gevolgen voor kinderen hangen samen met de ernst, duur en frequentie van het geweld, en de leeftijd, het geslacht en het karakter van het kind. Kinderen die getuige zijn geweest van partnergeweld hebben meer kans op problemen dan kinderen die dat niet hebben meegemaakt. Het gaat hierbij om emotionele, fysieke, cognitieve, sociale en gedragsproblemen (Kolbo e.a. 1996).
Veel van de gevolgen voor kinderen die getuigen zijn (geweest) van geweld tussen hun ouders zijn vergelijkbaar met die bij kinderen die zelf mishandeld zijn. Bovendien is naar schatting tussen de dertig en zestig procent van de kinderen niet alleen getuige van het geweld, maar ook zelf slachtoffer van geweld (Pels, Lünnemann en Steketee 2010; Dijkstra, Janssen en Baeten 2004). Het Nederlands Jeugdinstituut biedt uitgebreide informatie over kindermishandeling in het dossier Kindermishandeling. Een kind dat getuige is, of is geweest, van partnermishandeling kan gemeld worden bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Getuige zijn van geweld wordt in Nederland namelijk beschouwd als een vorm van kindermishandeling (zie Voorzieningen).
De problemen waarmee kinderen te maken hebben bij partnergeweld, kunnen onderverdeeld worden in drie soorten:
Ouders denken vaak dat jonge kinderen niets merken van de problemen en het geweld in het gezin. Maar juist jonge kinderen zijn zeer afhankelijk van hun ouders, kunnen zich minder onttrekken aan het geweld en vragen veel verzorging en aandacht. Hoe jonger het kind is, hoe meer schade het kan oplopen.
Enkele gevolgen voor kinderen per leeftijdsfase:
Kinderen die partnergeweld meemaken, groeien op met gewelddadig gedrag als norm. Dit heeft veel gevolgen voor de manier waarop ze zelf, als kind en later als volwassene, met conflicten omgaan. Getuige zijn van geweld geeft een verhoogd risico op toekomstig crimineel en gewelddadig gedrag. Daarnaast plegen delinquente jongeren die in hun jeugd getuige zijn geweest van partnergeweld zwaardere delicten dan delinquente jongeren die geen huiselijk geweld hebben meegemaakt. Getuige zijn van geweld tussen de ouders kan ook invloed hebben op de latere partnerrelatie van het kind. Kinderen denken vaak dat zijzelf de schuld zijn van de problemen van de ouders. Hierdoor ontwikkelen ze een laag zelfbeeld, wat hen ook later nog parten kan spelen. Blootstelling in de vroege jeugd aan geweld, stress en trauma kan ook neurobiologische effecten hebben.
Geweld in het gezin kan van invloed zijn op de hersenontwikkeling van kinderen. De hersenen zijn bij de geboorte nog lang niet volgroeid. Vrijwel alle zenuwcellen zijn aanwezig, maar pas in de eerste levensjaren krijgen deze hun definitieve plek en worden onderlinge verbindingen gelegd. Uit onderzoek van Perry (2002) blijkt dat zeer jonge kinderen die emotioneel verwaarloosd waren, op driejarige leeftijd een hersenomvang hadden die beduidend kleiner was dan die van andere kinderen van dezelfde leeftijd. Ook kunnen, door chronische traumatisering, bepaalde hersengebieden (bijvoorbeeld het limbisch systeem, dat verantwoordelijk is voor het verwerken van emoties en angst) zich niet goed ontwikkelen. Traumatische ervaringen veroorzaken bovendien een activering van stresshormonen in de hersenen. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) bij kinderen die opgroeien in een gewelddadige omgeving (onder andere slaapproblemen, dissociatie, depressiviteit, verhoogde prikkelbaarheid). In het langlopende Amerikaanse onderzoek Adverse Childhood Experiences (ACE) Study, wordt een sterke relatie zichtbaar tussen negatieve jeugdervaringen (waaronder getuige zijn van geweld tussen de ouders) en de psychische én lichamelijke gezondheid op volwassen leeftijd. Waarschijnlijk speelt schade in de hersenen, met name de verstoorde hormoonhuishouding, hierbij een rol. De hersenen van jonge kinderen zijn gelukkig wel erg vormbaar. Snelle interventie na traumatische ervaringen kan veel schade in de hersenontwikkeling herstellen. Vroege signalering en snelle hulp is dus heel belangrijk.
Door partnergeweld kunnen er problemen in de opvoeding ontstaan. Partnergeweld heeft gevolgen voor het moederschap en het vaderschap. Vaak ontbreekt steun vanuit de omgeving. Ook na het stoppen van het geweld kan er nog sprake zijn van opvoedingsproblemen.
Bij partnergeweld zijn er veel heftige en ontregelende emoties bij de ouders. Dit kan leiden tot ouderlijke onrust, onvermogen om verdriet van de kinderen waar te nemen en verminderd vermogen om de kinderen te tolereren zonder angstig of boos te worden (Appleyard en Osofsky 2003). Vaak zijn ouders niet meer in staat om de zorg en veiligheid te bieden die het kind nodig heeft, omdat hun eigen problemen hen teveel in beslag nemen. Ouders denken meestal dat kinderen weinig of niets merken van het geweld en onderschatten de impact die het geweld op hun kinderen heeft.
Mishandeling door hun partner ondermijnt de psychische en fysieke gezondheid van vrouwen. Veel vrouwen zijn depressief, hebben fysieke klachten, kampen met posttraumatische stress en hebben emotioneel minder ruimte voor de kinderen. Hoe meer energie een moeder nodig heeft voor haar eigen overleven, hoe minder tijd, aandacht en energie ze beschikbaar heeft voor haar kinderen. Kinderen van mishandelde moeders zijn echter vaak angstig, boos of lastig en vragen dus extra aandacht en energie. Mishandelde moeders zijn meer geneigd fysiek agressief naar hun kinderen te zijn dan niet mishandelde moeders, maar dat verschil neemt af als de situatie voor de moeder weer veilig is. Mishandeling kan ondermijnend zijn voor het moederschap. Een moeder die steeds mishandeld wordt, kan haar gezag in de ogen van de kinderen verliezen (Sturge 2003). Moeders kunnen ook het vertrouwen in zichzelf als moeder kwijt raken (Wolf e.a. 2006).
De zorg en opvoeding is voor moeders vaak extra zwaar, omdat ze voor de opgave staan hun kinderen te beschermen tegen geweld in het gezin. De meeste moeders proberen hun kinderen wel te beschermen, maar voelen zich machteloos in hun pogingen, zeker naar mate het geweld ernstiger is (Pels, Lünnemann en Steketee 2011). Sommige moeders zijn in staat tot compenserende reacties om de effecten van de partnermishandeling op kinderen te verzachten. Ze houden hen zo veel mogelijk buiten de ruzies en corrigeren akelige ervaringen met de vader. Zo kunnen ze een bron van steun worden voor de kinderen. Er is nog weinig bekend over de invloed van geweld op het moederschap als de moeder de pleger van het geweld is.
Mannen die geweld gebruiken tegen hun partner zijn over het algemeen strengere vaders, gebruiken meer discipline, treden agressiever op tegen hun kinderen en hebben meer problemen met opvoeden dan vaders die geen partnergeweld plegen. Vaders die fysiek en/of psychisch geweld plegen in het gezin willen de opvoeding graag goed doen, maar zijn hier vaak niet toe in staat. Ze realiseren zich meestal niet dat het geweld tegen de partner schadelijk kan zijn voor het gedrag en de gezondheid van de kinderen op korte en lange termijn (Lünnemann, Hermens en Roeleveld 2012). Tegelijkertijd blijkt dat ze vaak wel schuld, schaamte en berouw voelen naar hun kinderen toe (Dijkstra 2011).
Het is nog nauwelijks onderzocht welke rol mishandelende mannen kunnen spelen in het contact met hun kinderen. Peled (2000) spreekt van het recht van vaders op ouderschap. Hier zijn wel voorwaarden aan verbonden: de vader moet het geweld willen stoppen, de kinderen voldoende veiligheid bieden en willen investeren in de relatie met de kinderen. Hij moet de verantwoordelijkheid nemen voor het gepleegde geweld en dit bespreekbaar maken met de kinderen. Dijkstra (2011) geeft aan dat het nemen van verantwoordelijkheid een geleidelijk en soms moeizaam proces is. Verandering in houding en gedrag vereist dat mannen onder andere hun neiging om anderen te controleren leren inbinden. Cruciaal daarbij is de empathie die de man kan leren opbrengen voor zijn kinderen en de andere ouder. Daarnaast is reflectie op het eigen handelen een voorwaarde voor goed vader- en partnerschap. Het vaderschap kan hierbij de motor zijn tot zelfverandering. Juist in hun rol als vader zijn mannen te motiveren, omdat ze hun vaderrol willen uitoefenen en de relatie met hun kinderen willen behouden (Lünnemann, Hermens en Roeleveld 2012). Er is nog weinig bekend over de invloed van geweld op het vaderschap als de moeder de pleger van het geweld is.
Partnergeweld vormt een ongunstige omstandigheid die het goed grootbrengen van kinderen verstoort. Aan de andere kant kunnen ook beschermende processen (buffers) een rol spelen bij de opvoeding. Deze bufferprocessen vormen voorwaarden voor goed ouderschap (Van der Pas 2005). In veel gezinnen waar geweld een rol speelt, functioneren ál deze buffers niet goed (Dijkstra 2008). In Nederland zijn er inmiddels goede ervaringen met het versterken van het ouderschap door aandacht te besteden aan bufferprocessen (Pels, Lünnemann en Steketee 2011). Het betreft de volgende buffers:
Solidaire gemeenschap: dit heeft vooral te maken met goedwerkende voorzieningen ter ondersteuning van ouders, oftewel de steun vanuit de maatschappij en het sociaal netwerk. Schaamte en loyaliteit weerhoudt gezinsleden er vaak lang van om met hun omgeving over het geweld te praten. Vooral in de periode van geweld verkeert het gezin vaak in een groot isolement en is er weinig contact met een netwerk om hen heen.
Goede taakverdeling: dit betreft zowel de onderlinge taakverdeling tussen de ouders als steun uit het sociale netwerk. Veel vrouwen die in het verleden mishandeld zijn, zijn alleenstaand en hebben vaak weinig steun van hun ex-partner. Door het isolement waarin veel vrouwen verkeren, hebben ze een klein sociaal netwerk (zie ook Netwerk). Uit onderzoek van Wolf (2006) en van Pels, Lünnemann en Steketee (2011) blijkt dat de geïnterviewden verschillende vormen van hulp wensen, zoals opvoedingsondersteuning en praktische hulp bij onder andere huisvesting en het opbouwen van sociale contacten.
Metapositie: dit is het vermogen van ouders om afstand te nemen en te reflecteren op hun handelen. In de situatie van mishandelde vrouwen staat overleven centraal en zijn zij vaak niet meer in staat hun kinderen te steunen en te leiden. Er is vaak geen ruimte voor reflectie op de opvoeding.
'Goede ouder'-ervaringen: dit zijn positieve momenten die plezier geven en de band tussen ouder en kind bevestigen en ouderschapsgroei bevorderen. Aan het geweld gaat vaak een overweldigend aantal 'slechte ouder' - ervaringen vooraf, die domineren ten opzichte van de 'goede ouder'- ervaringen.
De gevolgen van het partnergeweld voor de kinderen worden voor ouders vaak pas echt duidelijk als het geweld is gestopt. Voor ouders kan het moeilijk zijn om daarmee om te gaan en om het vertrouwen van de kinderen weer te herstellen. Veel ouders vinden het ook moeilijk om met hun kinderen te praten over wat er is gebeurd.
Het Verwey-Jonker Instituut heeft onderzoek gedaan naar opvoeden na partnergeweld (Pels e.a. 2011). Het onderzoek richt zich op de behoefte aan ondersteuning van moeders en jongeren na partnergeweld. Over vaderschap na partnergeweld publiceert het Verwey-Jonker Instituut in een later stadium. Uit het onderzoek blijkt dat twee op de drie moeders als opvoeders problemen ervaren, ook nadat het geweld is beëindigd. Bij ernstiger geweld zijn er meer opvoedingsproblemen. Moeders kampen na partnergeweld vaak met probleemgedrag van hun kinderen en met hun disciplinering. Vaak heeft de ouderrol geleden onder het geweld in het gezin door gebrek aan aandacht en liefde voor de kinderen, door verwaarlozing, afreageren en te toegeeflijk zijn. De grote meerderheid van de moeders heeft de partner verlaten. Wel staan veel problemen bij de opvoeding in verband met de vader, vooral zijn omgang met de kinderen, het getouwtrek over de omgang en de nog voortdurende bedreiging.
In een Amerikaanse publicatie (Spence Coffey 2008) wordt aangegeven dat ouders (zowel slachtoffers als plegers) het volgende nodig hebben:
Partnergeweld komt meer voor bij partners met kinderen. Volgens Radford en Hester (2006) lopen vrouwen met kinderen drie keer zoveel kans op huiselijk geweld als kinderloze vrouwen. Het is onbekend waarom dit zo is. Soms begint het geweld tijdens de zwangerschap. Mishandelde vrouwen staan vaak voor het dilemma: weggaan of blijven.
Een pleger gebruikt geweld om verschillende redenen. De pleger kan getraumatiseerd zijn doordat hij zelf slachtoffer is geweest van geweld. Er kunnen verslavingsproblemen zijn of problemen van psychiatrische aard (o.a. psychosen en persoonlijkheidsstoornissen). Ook extreme karaktereigenschappen (jaloersheid en bezitterig zijn) kunnen een rol spelen. In veel gevallen gaat de pleger door een onvermogen om te communiceren over tot het gebruik van geweld. Uit verkennend onderzoek van Lünnemann, Hermens en Roeleveld (2012) blijkt dat plegers van partnergeweld de aanleiding (en verantwoordelijkheid) van het geweld doorgaans buiten zichzelf leggen.
Partnergeweld komt in alle milieus voor, maar enkele groepen lopen een extra risico. Dit geldt bijvoorbeeld voor tienermoeders en voor mensen met een verstandelijke beperking, psychiatrische problemen of verslaving. Volgens een onderzoek van De Waag is er bij ongeveer 30 procent van de plegers en 5 procent van de slachtoffers sprake van alcohol en/of drugs gebruik tijdens een geweldsincident.
Psychische problemen van slachtoffers van partnergeweld, zoals bijvoorbeeld borderline kenmerken, vergroten de kans op herhaling van ernstiger partnergeweld. Daarnaast hebben slachtoffers die verbaal of psychisch geweld vertonen, zoals schelden, schreeuwen of het bedreigen van de partner, een grotere kans om opnieuw slachtoffer te worden van fysiek partnergeweld (Kuijpers 2011). De bereidheid van plegers van partnergeweld tot verandering lijkt samen te hangen met de mate van agressie en manipulatie door en zelfinzicht van de partner (Lünnemann, Hermens en Roeleveld 2012).
Tijdens de zwangerschap en na de geboorte van een kind is het risico op partnergeweld groter. Zwangerschap is een belangrijk transitiemoment, dat zowel de partners als hun relatie voor een sterke uitdaging plaatst (zie Partnerrelatie in dossier Geboorte). Fysiek geweld tijdens de zwangerschap leidt tot gezondheidsrisico’s voor het ongeboren kind en voor de moeder. Zwangere vrouwen lopen ook meer risico gedood te worden dan niet-zwangere vrouwen (Dijkstra 2008). Uit een Belgisch onderzoek (Roelens e.a. 2007) blijkt dat drie procent van de Vlaamse vrouwen het slachtoffer is van fysiek en/of seksueel geweld tijdens de zwangerschap. Volgens Römkens (1989) is een kwart van de mishandelde vrouwen ook tijdens de zwangerschap mishandeld. Verder is in Nederland nog nauwelijks onderzoek gedaan naar mishandeling bij zwangerschap.
Partnergeweld leidt lang niet altijd tot (echt)scheiding. Het cyclisch verloop van partnergeweld speelt hierin mogelijk een rol (Groen en van Lawick 2003). De zogenaamde geweldspiraal beschrijft de dynamiek tussen mannen en vrouwen die uitmondt in geweld van de man tegen de vrouw. In de eerste fase loopt de spanning op, wat uiteindelijk escaleert in een geweldsuitbarsting. Bij veel paren treedt na het geweld een ‘wittebroodsperiode’ op, waarbij de pleger belooft dat het nooit meer zal gebeuren. Als de spanning weer groter wordt, begint de cyclus opnieuw. Door het cyclische karakter van het geweld geloven vrouwen vaak dat het over zal gaan. Bij de keuze om niet te scheiden kan angst voor de gewelddadige partner ook een rol spelen, of angst de verblijfsvergunning kwijt te raken. Bovendien is een scheiding geen garantie voor het stoppen van het geweld. De beslissing om bij de partner te blijven of weg te gaan, is vaak gebaseerd op wat moeders denken dat het beste voor hun kinderen is (Edleson e.a. 2003).
Bijna één op de vijf vrouwen geeft als reden voor echtscheiding aan dat een geschiedenis van relationeel geweld ten grondslag ligt aan het uit elkaar gaan (Graaf 2005). De tijd rond de echtscheiding wordt vaak als de gevaarlijkste periode beschouwd, waarbij de kans op een dodelijke afloop het grootst is (Mahoney 1994). Bij 20 procent van de vrouwen gaat na het verbreken van de relatie het geweld gewoon door en verergert soms zelfs (Römkens 1989). Een mogelijke verklaring daarvoor is dat de pleger controle wil blijven uitoefenen over het slachtoffer en haar niet kwijt wil raken. Dit noemen we stalking (zie Definitie). Na de scheiding kunnen contactmomenten tussen de niet verzorgende ouder en de kinderen een bron zijn voor agressie en geweld tussen ex-partners. Ook al heeft de pleger geen contact meer met het slachtoffer, hij kan haar blijven manipuleren via de kinderen. Stoppen van het geweld heeft daarom prioriteit in de hulpverlening aan plegers, slachtoffers en kinderen, ook als de relatie is beëindigd (zie Interventies).
Bij gezinnen waar partnergeweld plaatsvindt is er vaak een groot gebrek aan sociale netwerken rond het gezin. De gezinnen leven meestal in een isolement en de gezinsleden zoeken vaak geen hulp, bijvoorbeeld uit schaamte, angst of loyaliteit. Aan de andere kant hebben ze wel behoefte aan passende ondersteuning.
Gezinnen waarbij sprake is van partnergeweld, leven vaak in een groot isolement. Uit schaamte kunnen de gezinsleden de situatie thuis verborgen houden. Daarnaast kan de mishandelende partner de ander verbieden om sociale contacten te onderhouden. Door dit isolement is er vaak geen of een heel klein opvoednetwerk. Uitbreiding van het sociale netwerk is dan ook een belangrijk onderdeel van hulpverlening na partnergeweld.
Slachtoffers van geweld in de relatie zoeken vaak geen hulp, of pas in een heel laat stadium. Dit heeft te maken met:
Mannen die partnergeweld plegen zoeken niet snel steun en hulp: niet bij familie en vrienden en niet bij professionals. Als ze hulp opzoeken is dat vaak omdat hun partner dat wil of door externe druk vanuit bijvoorbeeld de huisarts of de politie. De belangrijkste reden waarom ze geen hulp zoeken is dat ze ontkennen dat er geweld plaatsvindt, geen problemen ervaren of zich schamen. Wanneer mannen wel hulp zoeken blijken de ouders van de mannen, in het bijzonder de moeder, een belangrijke informele steunbron te zijn. Daarnaast is het maatschappelijk werk een instantie waar mannen vrijwillig hulp zoeken.
Het Verwey-Jonker Instituut heeft in het onderzoek 'Opvoeden na partnergeweld' (2011) onderzoek gedaan naar de specifieke behoeften van moeders en jongeren aan ondersteuning. Uit het onderzoek blijkt dat na het beëindigen van de relatie met de partner de familie meestal een belangrijke bron van steun is voor moeders en kinderen. De familie kan praktische en emotionele hulp bieden. Wat betreft hulpverlening is er, met name onder allochtonen, waardering voor (laagdrempelige) voorzieningen, zoals de huisarts, school en schoolmaatschappelijk werk.
De kinderen hebben meestal geen sterk sociaal netwerk dat hen kan steunen. School noemen ze vaak als belangrijke plek, waar ze niets verteld hebben over het geweld en waar ze even zorgeloos en vrolijk kunnen zijn. Ondanks dat jongeren zelf liever niet over het geweld praten, adviseren ze kinderen in een gelijke situatie dat wel te doen om te zorgen dat het geweld stopt en om de situatie thuis te verwerken. Alertheid van de omgeving op wat er mogelijk aan de hand is bij jongeren thuis, openheid tegenover de jongeren en een structureel aanbod van bestaande hulpprogramma’s zijn daarbij belangrijk.
De meeste moeders willen voorkomen dat hun kinderen hetzelfde (gewelddadige) gedrag gaan vertonen. Ze vinden voor hun dochters en voor hun zoons gelijkwaardigheid in de partnerrelatie van belang. In de praktijk blijkt dit lastig: moeders die slachtoffer waren van partnergeweld zijn geneigd hun dochters beschermend op te voeden en zonen juist meer vrijheid te geven. Hulpverleners kunnen moeders ondersteunen door hen bewust te maken van dit mechanisme.
In de praktijk spreken hulpverleners vrouwen vaak aan op het niet adequaat beschermen van hun kinderen tegen het geweld. Moeders kunnen hierdoor de nodige ondersteuning missen. Moeders zitten vaak in een dubbelrol: ze zijn zowel slachtoffer van geweld door de partner, als beschermer van de kinderen. Zorgen en opvoeden worden bemoeilijkt als moeders hun eigen leven nog niet op de rails hebben en nog aan het overleven zijn.
Mannen die geweld plegen zijn doorgaans niet gemotiveerd voor hulp. Onderzoek van Lünnemann, Hermens en Roeleveld (2012) laat zien dat mannen die partnergeweld plegen juist op hun vaderrol zijn aan te spreken en te motiveren, omdat zij hun vaderrol willen uitoefenen en de relatie met hun kinderen willen behouden. In de hulpverlening na partnergeweld ligt de nadruk op het stoppen van het geweld in relaties en krijgt vaderschap weinig aandacht. Een uitdaging is het vinden van manieren om mannen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid als vader en ze op dat punt te motiveren tot vrijwillige hulp. Aansluiten bij hun eigen belevingswereld en de sociale context of gemeenschap kan daarbij een stimulans zijn. Tegelijkertijd kan niet iedere man een vaderrol hebben zolang hij niet voldoende veiligheid kan bieden.
Om partnergeweld te stoppen en te behandelen is een samenhangend aanbod nodig voor slachtoffer, pleger en kinderen. Hoewel onderzoek naar de effectiviteit van interventies bij partnergeweld nog in de kinderschoenen staat, is wel een aantal zaken bekend over wat werkt bij de aanpak van partnergeweld. Deze worden in dit deel van het dossier beschreven, evenals inzetbare erkende interventies, risicotaxatie- en veiligheidsinschattingsinstrumenten, richtlijnen, voorzieningen en na- en bijscholing.
In de databank Effectieve sociale interventies van MOVISIE zijn ook interventies te vinden die ingezet kunnen worden wanneer sprake is van geweld in afhankelijkheidsrelaties.
Kinderen die getuige zijn van geweld tussen hun ouders hebben daar veel last van. Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar interventies voor deze groep kinderen en voor hun ouders. Interventies gericht op moeders en kinderen lijken het meest succesvol te zijn. In veel gevallen gaat het hier om interventies waarbij tegelijkertijd een groep voor kinderen en voor moeders georganiseerd wordt en die bedoeld zijn voor gezinnen waarin sprake is geweest van partnergeweld. Gecombineerde interventies voor moeders en kinderen lijken internaliserende en externaliserende problemen bij kinderen te verminderen.
Hulp aan kinderen is weinig effectief als niet ingezet wordt op het stoppen van het geweld. Het geweld tussen partners moet eerst worden aangepakt. Voor een veilige opvoedingsklimaat is het nodig dat partners leren op een andere manier met elkaar om te gaan. Dit document gaat niet in op interventies die hiervoor effectief zijn.
Kinderen die getuige zijn van geweld tussen hun ouders zijn vaak ook zelf slachtoffer van mishandeling door een of beide ouders. Daarom kunnen bij deze kinderen ook interventies ingezet worden die geschikt zijn om kindermishandeling aan te pakken.
Uit onderzoek naar interventies bij kindermishandeling blijkt dat oudertrainingsprogramma’s en huisbezoekprogramma’s effect hebben bij gezinnen met veel risicofactoren voor kindermishandeling of beginnende kindermishandeling. In de hulpverlening aan ouders na fysieke mishandeling van het kind zijn training in positieve opvoedingsvaardigheden, woedebeheersing en stressmanagement de meest effectieve benaderingen. Ook intensieve pedagogische thuishulpprogramma’s kunnen opvoedingsvaardigheden verbeteren en problematisch gedrag van kinderen verminderen.
Meer informatie over werkzame principes bij kindermishandeling vindt u in het document Wat werkt bij de aanpak van kindermishandeling?
Om partnergeweld te stoppen en te behandelen is een samenhangend aanbod nodig voor slachtoffer, pleger en kinderen. Onderzoek naar de effectiviteit van interventies bij partnergeweld staat nog in de kinderschoenen. De hieronder beschreven interventies zijn te vinden in de databank Effectieve Jeugdinterventies. In deze databank zijn interventies opgenomen die op zijn minst theoretisch goed onderbouwd zijn en door een onafhankelijke erkenningscommissie zijn erkend.
In de databank is één erkende interventie opgenomen die specifiek gericht is op kinderen uit gezinnen waar sprake is (geweest) van partnergeweld: 'Als het mis gaat… bel ik jou'. Daarnaast zijn in de databank verschillende interventies opgenomen die ingezet kunnen worden om problemen te verminderen of te voorkomen die als gevolg van partnergeweld in de opvoeding en bij het kind zelf zijn ontstaan.
Wanneer er sprake is van (ernstig) partnergeweld, is het van belang eerst het geweld te stoppen voordat interventies gericht op de verwerking van huiselijk geweld worden ingezet. 'Als het mis gaat… bel ik jou' is een methode voor veiligheidsplanning en netwerkontwikkeling om ervoor te zorgen dat kinderen niet opnieuw getuigen worden van geweld tussen ouders.
'Families First' is geschikt om in een crisissituatie in te zetten. Doel van deze interventie is de veiligheid van het kind in het gezin zo snel mogelijk weer te waarborgen. 'Families First' is echter niet specifiek gericht op het stoppen van partnergeweld.
Een aantal erkende interventies is bedoeld om ouders bij de opvoeding te ondersteunen wanneer er (ernstige) opvoedingsproblemen in het gezin zijn en er sprake is van een negatief gezinsklimaat. Dit komt ook vaak voor bij partnergeweld. De interventies spreken de ouders aan op hun verantwoordelijkheid om hun kind een veilige opvoedingssituatie te bieden. 'Stevig Ouderschap' en 'Voorzorg' zijn bedoeld om opvoedingsproblemen te voorkomen door al vroegtijdig ondersteuning te bieden aan ouders uit gezinnen waarin allerlei risicofactoren aanwezig zijn. 'Parent-Child Interaction Therapy' (PCIT) en 'Triple P' zijn gericht op het versterken van opvoedingsvaardigheden. Meer intensieve vormen van hulpverlening gericht op de opvoeding en het gezinsklimaat zijn 'Intensieve Orthopedagogische Gezinsbehandeling', 'Jeugdhulp thuis' en 'Orthopedagogische Video Gezinsbehandeling'. Deze zijn erop gericht dat de kinderen (weer) veilig kunnen opgroeien. Voor moeilijk toegankelijke gezinnen, die de problemen niet herkennen of erkennen, is er tenslotte 'Bemoeizorg in de jeugdgezondheidszorg'.
Geen van de erkende interventies in de databank Effectieve Jeugdinterventies richt zich specifiek op de problemen van kinderen die getuige zijn (geweest) van geweld tussen hun ouders. Er zijn wel enkele erkende interventies om de gevolgen ervan voor kinderen te behandelen. Aangezien de gevolgen sterk overeenkomen met de gevolgen die kinderen ondervinden van kindermishandeling, is er een grote overlap met de interventies die na kindermishandeling ingezet kunnen worden.
Voor kinderen en jongeren die getuige waren van geweld tussen hun ouders en die symptomen van een Posttraumatische Stress Stoornis vertonen, is de 'Eye Movement Desensitization & Reprocessing' een geschikte interventie. Een andere interventie, 'Denken en Voelen', is bedoeld voor jongeren in een residentiële instelling die uit een opvoedingssituatie met veel conflicten komen. Deze is erop gericht dat jongeren beter leren omgaan met (irrationele) gedachten en emoties, zodat ze zich minder laten leiden door de omstandigheden, maar leren zelf situaties – bijvoorbeeld bij conflicten – te beïnvloeden.
Hieronder vindt u een selectie van interventies uit de databank Effectieve Jeugdinterventies. In deze databank zijn interventies opgenomen die op zijn minst theoretisch goed onderbouwd zijn en door een onafhankelijke erkenningscommissie zijn erkend.
Om de veiligheid van gezinsleden zo goed mogelijk te beschermen, kan bij het bespreekbaar maken en het melden van partnergeweld gebruik gemaakt worden van de Danger Assessment Scale (DAS). Met dit instrument kan ingeschat worden hoe ernstig het geweld is en hoe groot de kans op herhaling is.
De Vragenlijst Screening Geweld in de Zwangerschap kan voor de geboorte van een kind ingezet worden om te achterhalen of de aanstaande moeder slachtoffer is van een vorm van mishandeling, bijvoorbeeld door haar partner.
Instrumenten die in de eerstelijnszorg gebruikt kunnen worden voor het inschatten van het risico op (herhaling van) partnergeweld zijn de vragenlijsten B-SAFER (Brief Spousal Assault Evaluation of Risk) en de ODARA (Ontario Domestic Assault Risk Assessment). Van de B-SAFER is een Nederlandse versie beschikbaar (De Ruijter e.a. 2008), evenals van de ODARA (zie Richtlijn Familiaal Huiselijk Geweld).
Daarnaast gebruiken de politie en hulpverleners van de steunpunten huiselijk geweld en de vrouwenopvang een risico-inventarisatielijst, die is gemaakt door het Verwey-Jonker Instituut. Deze inventarisatielijst Risicoscreening in de vrouwenopvang dient om te bepalen of en welke extra veiligheidsmaatregelen voor de vrouw en de kinderen noodzakelijk zijn (Goderie en Ter Woerds 2005).
Het Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG) is een instrument waarmee de officier van justitie kan beoordelen of er in een situatie van (mogelijk) huiselijk geweld een huisverbod opgelegd moet worden. Met dit instrument kan ingeschat worden hoe groot de kans op herhaling van het geweld is.
Wanneer kinderen getuige zijn van geweld tussen hun ouders, kun je spreken van kindermishandeling. Instrumenten waarmee dit beoordeeld kan worden, staan in het dossier Kindermishandeling.
Op 1 januari 2013 treedt naar verwachting de Wet Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling in werking. De wet stelt gebruik van een meldcode verplicht voor professionals bij (mogelijke) signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. De (voormalige) ministeries van VWS, Jeugd en Gezin, OCW en Justitie hebben een basismodel voor de meldcode opgesteld. De meldcode bestaat uit een stappenplan waarin staat wat een professional moet doen bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling.
In 2009 is de multidisciplinaire 'Richtlijn familiaal huiselijk geweld bij kinderen en volwassenen' opgesteld. Het doel van de richtlijn is handvatten bieden voor de omgang met deze vorm van geweld.
In veel protocollen voor kindermishandeling is ook de situatie dat een kind getuige is van huiselijk geweld opgenomen. Deze protocollen en richtlijnen zijn te vinden in het dossier Kindermishandeling.
Gezinnen waarvan bekend is dat er partnergeweld speelt kunnen te maken krijgen met voorzieningen op het gebied van veiligheid, begeleiding, ondersteuning en behandeling.
Beschrijvingen van betrokken organisaties, afkomstig uit het Overzicht van de jeugdsector dat u elders op deze site kunt raadplegen:
Dit overzicht bevat relevante na- en bijscholing. De informatie is afkomstig uit de databank Na- en Bijscholing van het Nederlands Jeugdinstituut.
Om een professionele manier van het werken te kunnen waarborgen, is het van belang dat na- en bijscholing van goede kwaliteit is. Daarom beoordelen beroepsregisters via accreditatie de kwaliteit en bijdrage van de scholing voor de beroepsuitoefening van de betreffende beroepsgroep. Bij de databank Na- en Bijscholing vindt u meer informatie over deze accreditatie.
De overheid wil meer samenhang aanbrengen in de aanpak van partnergeweld door middel van een ketenaanpak, die bestaat uit het voorkomen, signaleren en stoppen van het geweld en de schade beperken. Ook is de overheid van plan de rol van familieleden, vrienden, buren, professionals en gemeenten te versterken, onder andere door in 2012 een brede publiekscampagne te starten.
Lange tijd heeft partnergeweld nauwelijks op de politieke agenda gestaan, ondanks allerlei initiatieven in de praktijk om het geweld aan te pakken. Mede door acties van de vrouwenbeweging is vooral geweld tegen vrouwen sinds de jaren 80 een beleidsthema geworden. Sinds het begin van de 21e eeuw is geweld in de privésfeer structureel als overheidszorg benoemd. Hier vindt u informatie over de ontwikkelingen in het beleid voor huiselijk geweld, waar mogelijk gespecificeerd voor partnergeweld.
De overheid wil meer samenhang aanbrengen in de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties (waaronder partnergeweld valt) door middel van een ketenaanpak, die bestaat uit het voorkomen, signaleren en stoppen van het geweld en de schade beperken. Dit schreef het kabinet Rutte (2010-2012) in december 2011 aan de Tweede Kamer. De overheid zet in op een algemene aanpak voor alle kwetsbare groepen. Waar algemene maatregelen niet voldoende zijn, worden specifieke maatregelen genomen. Ook wil de overheid de rol van familieleden, vrienden, buren, professionals en gemeenten versterken, onder andere door in 2012 een brede publiekscampagne te starten. Lees meer in de brief aan de Tweede Kamer Aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties
.
Het kabinet Rutte (2010-2012) wil de Steunpunten Huiselijk Geweld en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling bundelen tot één loket met één landelijk telefoonnummer. Met één loket wordt het volgens het kabinet eenvoudiger voor slachtoffers, omstanders en professionals om hulp te vragen, een signaal te melden of te vragen om advies. De verplichte samenwerking wordt geregeld in de 'Wet verplichte meldcode'.
De positie van slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties moet worden versterkt, aldus het kabinet Rutte (2010-2012) in een brief aan de Tweede Kamer (december 2011). Dit wil het kabinet doen door de 'Wet maatschappelijke ondersteuning' (Wmo) aan te passen. Zo moet er in de wet een brede definitie van slachtoffers van deze vorm van geweld worden opgenomen, zodat het voor gemeenten mogelijk wordt om zowel mannen, vrouwen als kinderen te beschermen en te ondersteunen. Ook moet artikel 4 van de Wmo gaan gelden voor slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Dit artikel regelt dat gemeenten mensen met een beperking compenseert door hen een passend arrangement te bieden van hulp, ondersteuning en bescherming. Lees meer in de brief aan de Tweede Kamer Aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties
.
De centrumgemeenten zijn op dit moment namens de regiogemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van de opvang van slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Het kabinet wil dat alle gemeenten vanaf 2015 hiervoor verantwoordelijk worden, maar wacht hiermee tot andere decentralisaties – verschuiving van onderdelen van de AWBZ naar de Wmo en de decentralisatie van de jeugdzorg – achter de rug zijn. Als voorbereiding op de decentralisatie van de opvang moeten alle gemeenten elke vier jaar een 'regiovisie geweld in huiselijke kring' opstellen.
In een plan van aanpak dat het kabinet in juli 2012 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd staan maatregelen om gedwongen huwelijken te voorkomen, zoals een multimediale campagne voor jongeren, huwelijksdwang bespreekbaar maken in gesloten gemeenschappen, een e-learningmodule voor werknemers in de gezondheidszorg en de hulpverlening. Ook worden er afspraken aangekondigd voor ambassades, politie, hulpverlening, de IND en gemeenten over hoe te handelen als vrouwen of jongeren in hun land van herkomst worden achtergelaten. Daarnaast belooft het kabinet een onderzoek naar hoe vaak huwelijksdwang in Nederland voorkomt. De maatregelen zijn volgens het kabinet nodig, omdat huwelijksdwang dikwijls gepaard gaat met fysiek geweld of bedreiging. Slachtoffers van gedwongen huwelijken zijn vaak jong en afhankelijk van hun partner of familie. Lees meer over het plan van aanpak preventie van huwelijksdwang 2012-2014
.
Het kabinet Rutte (2010-2012) heeft in november 2011 in een brief aan de Tweede Kamer een aantal maatregelen aangekondigd om de daders van geweld in huiselijke kring aan te pakken. In de aanpak staan normstelling en gedragsverandering centraal. Dit gebeurt door op het gebied van wetgeving een aantal maatregelen te nemen, zoals invoering van de 'Wet verplichte meldcode' en de 'Wet voorwaardelijke sancties'. Ook zet het kabinet in op verbeterde bewijsvoering en dossiervorming in zaken van huiselijk geweld.
De aanpak van recidiverende daders en daders van ‘intimate terrorism’ – ernstig structureel geweld - krijgt vorm in pilots met de naam ‘code rood’. Verder vindt een recidivemonitor plaats, waarvan de eerste resultaten eind 2012 bekend zijn. Het kabinet neemt maatregelen voor een betere handhaving van het huisverbod, omdat uit onderzoek is gebleken dat niet alle gevallen van overtredingen van het huisverbod worden gemeld. Met ingang van 2012 is er een door het Openbaar Ministerie ontwikkeld richtinggevend kader voor de aanpak van overtredingen. Lees meer in de brief aan de Tweede Kamer Daderaanpak bij geweld in huiselijke kring
.
Om partnergeweld te voorkomen is het belangrijk dat meisjes en jongens zo jong mogelijk voor zichzelf leren opkomen, hun eigen grenzen bewaken en de grenzen van anderen leren respecteren. Dit stelt het kabinet in een brief over de hoofdlijnen van het emancipatiebeleid voor 2011 tot 2015. Centraal in het beleid staat de preventie van machtsmisbruik en seksueel geweld onder jongeren. Hiervoor wordt een aanpak ontwikkeld die aansluit bij de manier waarop jongeren via sociale media met elkaar communiceren.
Ook focust het kabinet op het benutten van de eigen kracht van slachtoffers van partnergeweld. Het rijk wil in samenwerking met gemeenten en bedrijfsleven onderzoeken hoe slachtoffers kunnen worden toegeleid naar werk. Initiatieven op dit gebied, zoals een project van de Nederlandse Vrouwenraad, krijgen financiële steun. Lees meer in de Hoofdlijnenbrief vrouwen- en homo-emancipatie 2011-2015
.
Om de professionalisering van de Steunpunten huiselijk geweld (SHG’s) te stimuleren is het ministerie van VWS in 2010 gestart met het project 'Kwaliteitsimpuls SHG's'. Een eerste resultaat van dit project is de publicatie in 2011 van de functies van de SHG’s. Allereerst heeft het SHG functies die passen bij het vervullen van de ‘front office’-rol. Bij deze rol horen de functies voorlichting, advies en ondersteuning en het functioneren als meldpunt. Daarnaast heeft het SHG een functie die past bij de ‘back office’-rol, namelijk het voeren van de procesregie. Dit omvat het organiseren van hulp geboden door de ketenpartners en het bewaken van ketenafspraken. Als laatste voeren de medewerkers van het SHG een aantal voorwaardelijke functies uit, zoals registratie, het bevorderen van de deskundigheid en het uitvoeren van monitoring en prevalentieonderzoek. Het ministerie van VWS, de Federatie Opvang, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, MO Groep Welzijn en Maatschappelijke dienstverlening en GGD Nederland hebben zich akkoord verklaard met de functies en verwachten dat alle SHG’s de functies gaan bieden.
Sinds 2002 wordt er landelijk beleid gevoerd om huiselijk geweld tegen te gaan. In dit kader heeft het kabinet op 5 juli 2012 de Tweede Kamer een overzicht aangeboden van zijn activiteiten op het gebied van de aanpak van geweld in huiselijke kring. Het kabinet stelt dat de accenten in het beleid zijn verschoven van bewustwording, normstelling en ketensamenwerking naar doelen op het niveau van slachtoffers en daders. Resultaten van de afgelopen tien jaar zijn onder andere: een landelijk gecoördineerde aanpak, lokale infrastructuren, OM-aanwijzingen voor opsporing en vervolging, een verhoogd strafmaximum, de 'Wet tijdelijk huisverbod' en specifiek politiebeleid. Het kabinet baseert zich hierbij op onderzoek
van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (Jongebreur e.a. 2011). Lees meer in het Overzicht samenhang activiteiten geweld huiselijk kring
.
. Den Haag, Ministerie van Veiligheid en Justitie/Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum.
. Den Haag, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Zoetermeer, Research voor beleid.
Op 1 juli 2013 treedt de 'Wet meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling' in werking. Vanaf dan is elke organisatie die te maken kan krijgen met huiselijk geweld en kindermishandeling, verplicht een meldcode te hebben en het gebruik ervan te bevorderen. Een meldcode is een stappenplan dat professionals gebruiken bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling. De meldcode is verplicht in de gezondheidszorg, het onderwijs, de kinderopvang, de maatschappelijke ondersteuning, de jeugdzorg en bij justitie en politie.
Het ministerie van Justitie heeft een basismodel voor de meldcode opgesteld, met een stappenplan voor het signaleren en melden van huiselijk geweld en kindermishandeling. Met behulp van het basismodel kan elke organisatie de meldcode op maat maken. Meer informatie en het basismodel vindt u op www.meldcode.nl.
Sinds 1 januari 2009 bestaat de 'Wet tijdelijk huisverbod' voor preventie en aanpak van huiselijk geweld. Die wet houdt in dat een pleger van huiselijk geweld tien dagen lang zijn woning niet meer in mag en in die periode ook geen contact mag opnemen met de partner en kinderen. De tien dagen zijn bedoeld als afkoelingsperiode én een periode waarin hulp in gang gezet moet worden voor het hele gezin. Als de pleger niet bereid is hulp te accepteren of de hulp aan slachtoffer en kinderen belemmert, kan het huisverbod verlengd worden tot maximaal vier weken. Het huisverbod kan ook worden opgelegd in situaties van (dreigende) kindermishandeling.
Meer informatie over het huisverbod vindt u op een website van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, www.huisverbod.nl.
Op 1 april 2012 is de 'Wet voorwaardelijke sancties' in werking getreden. De wet maakt het mogelijk in het vonnis bijzondere voorwaarden op te nemen, waaronder drie zorgvoorwaarden (klinische behandeling, ambulante behandeling en begeleid wonen) en gedragsbeïnvloedende voorwaarden (zoals deelname aan een gedragsinterventie). Indien de voorwaarden niet worden nageleefd kunnen het Openbaar Ministerie (OM) en de reclassering, op basis van hun wettelijke verantwoordelijkheid voor het toezicht, snel ingrijpen, de verdachte laten aanhouden en in (voorlopige) hechtenis laten nemen in afwachting van het proces. Lees meer in de factsheet over de 'Wet voowaardelijke sancties' uitgegeven door het ministerie van Veiligheid en Justitie.
De term 'partnergeweld' staat niet in het Wetboek van Strafrecht. Maar partnergeweld is toch strafbaar omdat het gepaard gaat met misdrijven volgens de wet:
Om huiselijk geweld goed te kunnen aanpakken is de inzet van verschillende beroepskrachten nodig. Het uitwisselen van cliëntgegevens is echter aan strakke regels gebonden, vanwege privacywetgeving, beroepsgeheim en zwijgplicht. De zwijgplicht kan dus botsen met de plicht om een cliënt te helpen juist door met een ander over hem te spreken. In zo'n geval is er sprake van een 'conflict van plichten' en mag het beroepsgeheim doorbroken worden. Een beroepskracht kan dan zonder toestemming en medeweten van zijn cliënt stappen ondernemen, zoals melden bij een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling of overleggen met collega's van andere instellingen.
Diverse internationale organisaties, waaronder de Verenigde Naties, de Europese Unie en de Raad van Europa, richten zich op verschillende manieren op de aanpak van geweld tegen vrouwen.
Er zijn vele verdragen, resoluties en aanbevelingen over de aanpak van geweld tegen vrouwen. Resoluties en aanbeveling zijn niet bindend, internationale verdragen zijn dit na ratificatie wel.
'De Staat zal het kind beschermen tegen elke vorm van mishandeling door ouders of door een derde die de zorg over het kind heeft. Ook zal de Staat doelgerichte sociale programma’s opzetten om misbruik te voorkomen en om hulp te bieden aan slachtoffers'. Dit stelt artikel 19 over ‘Bescherming tegen misbruik en verwaarlozing’ van het 'Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind' dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) in 1989 heeft aangenomen. Nederland heeft het Kinderrechtenverdrag in 1995 geratificeerd. Meer informatie over dit verdrag vindt u op de website van het Kinderrechtencollectief.
Blootstelling aan partnergeweld is één van de mogelijke vormen van geweld tegen kinderen. Dit meldt 'General comment' nummer 13
over dit artikel 19. Deze 'General comment' heeft het VN Kinderrechtencomité in maart 2011 aangenomen en bevat verder onder meer een overzicht van alle maatregelen die landen moeten nemen om kinderen tegen alle vormen van kindermishandeling te beschermen.
Voor Nederland is het 'Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen' belangrijk. Dit verdrag wordt vaak aangeduid als 'het VN-Vrouwenverdrag'. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) heeft dit verdrag in 1979 aangenomen, Nederland ondertekende het in 1980. Het verdrag trad hier in 1991 in werking.
Door het aannemen van dit verdrag moet Nederland ook zorgdragen voor beleid en wetgeving om de mensenrechten en fundamentele vrijheden van vrouwen te waarborgen. Het verdrag gaat niet expliciet over geweld tegen vrouwen. Wel is geweld tegen vrouwen een vorm van discriminatie en moet daarom bestreden worden. Dat vindt het 'Committee on the Elimination of Discrimination Against Women', dat toeziet op de naleving van het VN-Vrouwenverdrag. Meer informatie over het verdrag vindt u op de website van Aletta E-Quality.
Bij het verdrag hoort het facultatief Protocol bij de Convention of the Elimination of Discrimination Against Women (CEDAW). Dit protocol biedt vrouwen die slachtoffer zijn van mensenrechtenschendingen de mogelijkheid om gehoord te worden door het CEDAW-comité. Nederland was één van de eerste landen die dit aanvullende protocol heeft ondertekend.
De Europese Unie (EU) heeft geen wettelijk bindende instrumenten om vrouwen te beschermen tegen seksespecifiek geweld. Dat betekent dat haar lidstaten zelf (preventieve) maatregelen moeten nemen.
Wel heeft de Raad van ministers in 2011 een nieuw Europees pact voor gendergelijkheid voor de periode 2011-2020 aangenomen. Het nieuwe pact is een herbevestiging van het voornemen van de EU om alle vormen van geweld tegen vrouwen te bestrijden. De Raad van ministers roept de lidstaten op om te zorgen voor een betere voorkoming van geweld tegen vrouwen en voor een betere bescherming van slachtoffers. Ook roept ze hen op zich te richten op de rol van mannen en jongens om geweld uit te bannen.
Daarnaast heeft de Europese Commissie in 2007 een aanbeveling aangenomen die de lidstaten van de EU oproept om maatregelen te nemen tegen huiselijk geweld tegen vrouwen en kinderen.
Het Europees Parlement benadrukt dat blootstelling aan lichamelijk, seksueel of psychisch geweld en misbruik tussen ouders of andere familieleden ernstige gevolgen heeft voor kinderen. Ook het verzoekt het Europees Parlement de EU-lidstaten om psychosociale hulp te ontwikkelen voor kinderen die getuige zijn geweest van welke vorm van geweld dan ook. Dit staat in een resolutie die het Europees Parlement begin 2011 aannam. In deze resolutie stelt het Europees Parlement ook een nieuwe brede beleidsaanpak tegen gendergerelateerd geweld voor.
Lidstaten moeten samen met diverse uitvoerende organisaties campagnes voeren, onder meer om burgers bewust te maken van de gevolgen van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, waaronder partnergeweld. Dit staat in het verdrag over de preventie en de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Dit verdrag is in april 2011 door het Comité van ministers van de Raad van Europa aangenomen.
Het verdrag vormt een internationaal, juridisch bindend en alomvattend instrument om geweld te voorkomen, slachtoffers te beschermen en een eind te maken aan de straffeloosheid van de daders. In dit verdrag worden diverse vormen van geweld tegen vrouwen gedefinieerd en strafbaar gesteld. Het verdrag werd op 11 mei 2011 in Istanbul ter ondertekening opengesteld. Nederland heeft dit verdrag begin oktober 2012 nog niet ondertekend.
Ook heeft de Raad van Europa heeft sinds 2000 verschillende resoluties en aanbevelingen aangenomen over geweld tegen vrouwen of specifieke vormen daarvan, zoals relationeel of eergerelateerd geweld.
.
Voorburg: UNICEF Nederland. Op grond van het Kinderrechtenverdrag moet Nederland iedere vijf jaar aan het VN-Kinderrechtencomité rapporteren over de uitvoering van dit verdrag in Nederland. Nederland heeft in 2012 voor de vierde keer een rapportage opgesteld. Deze rapportage wordt in 2013 geactualiseerd en naar het VN-Kinderrechtencomité gestuurd.
Meer informatie over dit verdrag vindt u op de website van het Kinderrechtencollectief.
Volgens het VN-Vrouwenverdrag moet elke VN-lidstaat een jaar na inwerkingtreding van het verdrag en vervolgens elke vier jaar een overheidsrapportage uitbrengen aan het 'Committee on the Elimination of Discrimination Against Women' (CEDAW). De overheidsrapportage moet gaan over de vooruitgang op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. In Nederland moet de regering ook de Tweede Kamer informeren over de uitvoering van het verdrag. Niet-gouvernementele organisaties kunnen daarnaast in 'schaduwrapportages' commentaar geven op de overheidsrapportage en op de nationale naleving van het VN-Vrouwenverdrag. In januari 2010 besprak de CEDAW de vijfde Nederlandse overheidsrapportage en bijbehorende schaduwrapportage. Meer informatie vindt u op de website van Aletta E-Quality.
In 2010 heeft de Europese Commissie de strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen
gepubliceerd voor de periode 2010-2015. De strategie vormt het werkprogramma van de Europese Commissie op het gebied van gendergelijkheid en bevat acties op vijf prioriteitsgebieden, waaronder ‘waardigheid, integriteit en de bestrijding van gendergerelateerd geweld’. Eén van de belangrijkste maatregelen op dit gebied is het goedkeuren van een EU-strategie voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en een ondersteuning van deze strategie door een Europese bewustmakingscampagne over geweld tegen vrouwen.
Elk jaar beschrijft de Europese Commissie de geboekte vooruitgang over de gelijkheid van mannen en vrouwen in een rapport.
De secretaris-generaal van de Verenigde Naties publiceert ook regelmatig over de aanpak van (diverse vormen van) geweld tegen vrouwen. Zo beschrijft een rapport uit 2010 de voortgang van de implementatie van een VN-resolutie over geweld tegen vrouwen in de VN-lidstaten. In dit rapport worden ook Nederlandse maatregelen beschreven, zoals het huisverbod bij huiselijk geweld.
.
. Report of the Secretary-General.'
In 2009 heeft de Verenigde Naties de Secretary-Generals Database on violence against women opgezet. Deze databank bevat statistieken en informatie over (wettelijke) maatregelen om geweld tegen vrouwen tegen te gaan in diverse landen, waaronder Nederland. De databank bevat ook goede praktijkvoorbeelden van wetgeving, aanbod en preventie. In de databank kan op verschillende manieren worden gezocht, onder meer naar de vormen van geweld, zoals huiselijk geweld.
In 2011 is het rapport Realising Rights Case studies on state responses to violence against women and children in Europe
van de Europese Commissie verschenen. Dit rapport beschrijft de mate waarin de rechten van vrouwen en kinderen om zonder geweld en mishandeling te leven, worden gewaarborgd. In het rapport is ook veel aandacht voor partnergeweld.
Daarnaast is in 2010 het door de Europese Commissie gefinancierde rapport Violence against women and the role of gender equality, social inclusion and health strategies
verschenen. Dit rapport beschrijft de verschillende soorten geweld tegen vrouw en beschikbare (trend)gegevens. Ook biedt het inzicht in het beleid van de lidstaten op het gebied van wet- en regelgeving, preventie, ondersteuning van het slachtoffer en sociale reïntegratie. In het rapport wordt ook aandacht besteed aan partnergeweld.
Sinds 1998 publiceert de Raad van Europa periodiek over de wet- en regelgeving op het gebied van geweld tegen vrouwen in haar lidstaten. De raad publiceerde bijvoorbeeld in 2009 over de wet- en regelgeving over huiselijk geweld in haar lidstaten en in 2005 over de aanpak van gedwongen huwelijken.
. Strasbourg, Council of Europe.
. Luxembourg, Publications Office of the European Union.
.
. De Verenigde Naties voeren momenteel de campagne 'UNiTE to End Violence against Women' om geweld tegen vrouwen en meisjes in de gehele wereld te voorkomen en te beëindigen. In 2008 zijn de Verenigde Naties deze campagne gestart (Council of Europe 2008). Voor deze campagne werkt de VN samen met overheden en nationale organisaties. Met de campagne wil de VN in 2015 in alle landen een aantal doelen bereiken, waaronder het aannemen van wetten tegen alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes. Meer informatie vindt u op de campagnewebsite van de Verenigde Naties.
De Europese Unie (EU) heeft geen wettelijk bindende instrumenten om vrouwen te beschermen tegen seksespecifiek geweld. Dat betekent dat haar lidstaten zelf (preventieve) maatregelen moeten nemen. Hieronder volgt wat meer informatie over de maatregelen die de EU wel en niet kan nemen op dit gebied.
Sinds 1997 financiert en ondersteunt de Europese Unie met haar 'Daphne-programma' maatregelen om geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen te voorkomen en slachtoffers en risicogroepen te beschermen.
Het Nederlands Jeugdinstituut heeft in de periode 2011-2012 het Daphne project 'Prevent and Combat Child Abuse: What works? An overview of regional approaches, exchange and research' uitgevoerd. Hiervoor hebben Duitsland, Hongarije, Nederland, Portugal en Zweden onder meer een landenrapportage opgesteld over de aanpak van kindermishandeling in hun land. Deze rapportages en een internationaal overzichtsrapport vindt u op de Engelstalige website van het Nederlands Jeugdinstituut.
In mei 2011 heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor een ‘verordening betreffende de wederzijdse erkenning van burgerrechtelijke beschermingsmaatregelen’. Dit instrument verzekert slachtoffers van (huiselijk) geweld ervan dat een tegen de dader ingesteld contactverbod of beschermingsbevel ook geldt als die naar een andere EU-lidstaat verhuist of reist. De verordening was begin oktober 2012 nog in onderhandeling bij de Raad van ministers en het Europees Parlement. De verordening maakt deel uit van een pakket aan maatregelen die moeten waarborgen dat slachtoffers in de hele EU kunnen rekenen op een minimum aan rechten, steun en bescherming.
Een ander onderdeel van dit pakket is de ‘richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor slachtoffers’. Deze richtlijn moet er in alle 27 EU-lidstaten toe leiden dat kwetsbare slachtoffers -zoals slachtoffers van huiselijk geweld- als zodanig worden erkend en passende bescherming krijgen. De richtlijn is in september 2012 door het Europees Parlement aangenomen. De EU-lidstaten moeten de richtlijn ook goedkeuren. Als ze dat hebben gedaan, hebben ze drie jaar de tijd om de richtlijn over te nemen in hun nationale recht. Denemarken neemt de richtlijn echter niet over.
Volgens de EU richtlijn 2004/38/EG krijgen familieleden van burgers uit de Europese Unie een autonoom verblijfsrecht als er sprake is van bijzonder schrijnende omstandigheden. Bijvoorbeeld wanneer de betrokkene tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld. De brochure
van de Immigratie- en Naturalisatiedienst bevat meer informatie voor mensen die daar slachtoffer van zijn én die een verblijfsvergunning willen aanvragen.
De vraag of een slachtoffer van huiselijk geweld moet kunnen kiezen om te blijven samenwonen met haar mishandelende partner valt niet onder het gemeenschapsrecht (het recht van de Europese Unie). Wel moet rekening gehouden worden met de mening van het slachtoffer om te variëren met de duur van het huisverbod zoals die is vastgelegd in nationale wetgeving. Dit blijkt uit een advies van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie van de Europese Unie van mei 2011.
.
. Strasbourg, Council of Europe.
Hier vindt u een selectie van relevante beleidsstukken, analyses of adviezen.
De korte omschrijvingen zijn ontleend aan de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut.
Hieronder vindt u een selectie van relevante onderzoeken die zijn opgenomen in de databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding. Deze databank bevat beschrijvingen van lopend en afgesloten onderzoek.
Hier vindt u een selectie van relevante literatuur uit de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut, waarin u zelf kunt zoeken naar literatuur.
Er zijn op dit moment geen evenementen over het thema partnergeweld bij het Nederlands Jeugdinstituut bekend. Andere congressen voor de jeugdsector vindt u elders op de site in de agenda.
Het dossier Partnergeweld is online sinds 2010 en is voor het laatst geactualiseerd in augustus 2012.
Dit dossier wordt op onderdelen regelmatig geactualiseerd. Minimaal één keer per jaar wordt het dossier in zijn geheel op actualiteit gecontroleerd.
Heeft u een opmerking of aanvulling op dit dossier? U kunt deze plaatsen op de pagina Reacties. Na bevestiging van uw kant is deze zichtbaar voor bezoekers.
Heeft u een vraag? Stel een vraag .